Pedagogiek in verscheidenheid – Publicaties van Daan Thoomes

Gedichtenkeuze

bijgewerkt op 1 januari 2021


DE KINDEREN ZITTEN door hun gebedje in de wereldregering.

OkkeJager (1928-1992).


Uit:Beeldenstorm.Aforismen van Okke Jager.Verzameld door Pieterjan de Buck.

Baarn,Ten Have, 1993, p. 55.

(oorspronkelijkuit: Uwwil geschiede,Baarn, 1957, p. 167).

● ● ●


Voor: In de Waagschaal, tijdschriftvoor theologie, cultuur en politiek:


De tuin


Hier rijpt de tijd in schaduwing vanmuren

Onder de kruinen van zeer oude bomen.

Doet de ommuurde stilte niet het rode

Vlammen der najaarsbladen eeuwig duren?


Want deze tuin is als een herfstigklooster,

Waar alle driften in de stilte stranden

En zacht ontgloeien tot zij niets meerdan de

Vurige teeknen zijn des Allerhoogsten.


Muus Jacobse.


Uit:Muus Jacobse (Klaas Hanzen Heeroma), Hetoneindige verlangen .Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk, Callenbach, 1982, p.41).

Oorspronkelijkin: Programma ,Maastricht 1932 en uit Dedrie kooien en andere gedichten ,Kampen, 1946.

Afgedruktin: In de Waagschaal,tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek ,jrg. 36, nr. 15,

3november 2007, p. 25.





Verkondiging


Een engel kwam en heeft het aangezegd:

Hoor nu het einde van uw eenzaamheden.

De lege wanhoop die gij hebt doorleden

Heeft God verhoord, eer ze wasuitgezegd.


Hij heeft het woord gesproken, dat zijnrecht

Reikt dieper dan uw ongerechtigheden.

Hij is de hoge hemel uitgetreden

En heeft zich aan uw voeten neergelegd.


Hoor, ’t lied dat in de hemelen begon

Doet Hij, in de oren wellend als eenbron,

Aan zijn beminden in de slaap ervaren.


Sta van uw dromen op en heb geen vrees,

Want Hij is vlees geworden van uwvlees.

Hij zal zich aan uw ogen openbaren.


Muus Jacobse.


Uit:Muus Jacobse, Hetoneindige verlangen. Gedichten en liederen .Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk, Callenbach, 1982(oorspronkelijk uit: Hethuisgezin , Kampen,1959).

Afgedruktin: In de Waagschaal,tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek ,jrg. 39, nr. 16, 20 november 2010, p. 30.



● ● ●



Voor: Lessen, periodiek vanhet Nationaal Onderwijsmuseum en de Vereniging van Vrienden:



DE OUDE LERAAR


Ik heb mijn oude leraar

Op zijn sterfbed nog beloofd

Dat ik zou gaan studeren

Want ik had zo’n helder hoofd

Dat was heel goed gezien van hem

Hij zei nog met een gebroken stem:

Cornelia, Cornelia

Jij wordt nog neurologe

Dat was het laatste wat hij zei

En toen sloot hij zijn ogen

En tot op heden

Voel ik nog de wroeging en de spijt

Cornelia ging nimmer naar deuniversiteit



Ik werd geen neurologe, psychologe

Fysiologe, dermatologe, reumatologe

En wat er verder wezen moge

Ik werd geen dokter, ingenieur

Geen titel, rang of graad

Ik had chirurge kunnen zijn

Maar nou is het te laat

Ik heb het niet gehaald

Jammerlijk gefaald


Wat heb ik veel gemist

O wat heb ik veel gemist

Ik dacht dat ik iets worden zou

Wat heb ik me vergist

Het is zo snel voorbijgegaan

Mijn leven is verkwist

O, wat heb ik allemaal gemist


Er was nog zoveel anders

Waar ik aanleg voor bezat

Het schrijven van romans

Waar ik zoveel talent voor had

Ik had beroemder kunnen zijn

Dan Mulisch of dan Reve

Wanneer ik al mijn schokkende

Verhalen had geschreven

Ook dat is fout gegaan

Want ik heb het niet gedaan

Ik had toch zoveel gaven

Maar ik heb ze niet gebruikt

Ze liggen diep begraven

En zijn nimmer meer ontluikt…


Er zijn van die momenten

Dan denk ik toch zo vaak:

Ik heb zoveel talenten

Die liggen allemaal braak

Eén van die talenten die ikongetwijfeld had:

Muziekrecensente bij het Handelsblad


Ik was zo goed in gymnastiek

En ik kon zo hard lopen

Dus lag er in de atletiek

Een wereld voor me open

Hoe zou het zijn geweest

Wanneer ik daartoe had besloten…

Ze hadden me

Met mannelijke hormonen volgespoten

Wanneer ik vlot

Het kampioenschap hordelopen won

Olympisch goud, maar met een snor

En met een bariton


Wat heb ik veel gemist

O wat heb ik veel gemist

Ik wilde zoveel dingen

Maar het noodlot heeft beslist

Dat ik hier nu alleen sta

Met deze malle pianist

Maar dat had ik toch niet graag gemist


Annie M.G. Schmidt


Uit:Annie M.G. Schmidt, Zeurniet! Onder redactievan Henk van Gelder. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2007, p.589-591.

Afgedruktin: Lessen 1 ,4de jrg., maart 2009.





EERST’


Ergens buiten spelen kinderen:

dat komt omdat zij het nog weten

wat hun is ingefluisterd op een vroegedag.

Ze sliepen nog en in de verte hoorde jede eerste tram.

‘Zodra je kijkt, ben je verloren.

Zolang de dingen naar jou zien,

treed j’in hun binnenst vuur endiepste steen.

Verwonder je, m’n liefje, en laat dedagen spreken.

Zing er omheen en vraag altijd ommeer:

‘en toen?’ ‘en wat nog meer?’ ‘het is toch nog niet uit?’

Vouw je handen open naar de regen

en vraag of die je groter maken wil.

En als je ’s avonds thuiskomt,beloof je aan je goeie

ouders,

dat heel de wereld goed zal worden alsjij groter bent’.


M.J. Langeveld


Uit: M.J. Langeveld ,Altijd na terugkeer. Nijkerk,1981, Callenbach, p. 9.

Afgedruktin: Lessen 2,4de jrg., juni 2009.





Het kind en ik


Ik zou een dag uit vissen,

ik voelde mij moedeloos.

Ik maakte tussen de lissen

met de hand een wak in het kroos.


Er steeg licht op van beneden

uit de zwarte spiegelgrond.

Ik zag een tuin onbetreden

en een kind dat daar stond.


Het stond aan zijn schrijftafel

te schrijven op een lei.

Het woord onder de griffel

herkende ik, was van mij.


Maar toen heeft het geschreven,

zonder haast en zonder schroom,

al wat ik van mijn leven

nog ooit te schrijven droom.


En telkens als ik even

knikte dat ik het wist,

liet hij het water beven

en het werd uitgewist.


Martinus Nijhoff (1894-1953)


Uit:M. Nijhoff, VerzameldeGedichten .Tekstverzorging W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn. Amsterdam,Prometheus / Bert Bakker, 1995, p. 222

(oorspronkelijkuit: Nieuwe Gedichten .Amsterdam, Querido, 1934)

Afgedruktin: Lessen 3, 4de jrg., september 2009.





Paedagoochum


‘Zo lang je maar niet snurkt,

kun je rustig slapen’

sprak de leraar wrang

tot twee heel suffe knapen.

‘U hebt gelijk, meneer’

sprak toen de oudste rakker,

‘door dat gesnurk van ons

wordt heel de klas soms wakker.’


John O’Mill


Robert-HenkZuidinga, Hier ligtPoot ………. p.165 (beide gedichten).

(oorspronkelijk:John O’Mill (ps. Van J. van der Meulen), LyricalLaria , Laren, AndriesBlitz, 1956).

Afgedruktin: Lessen 4, 4de jrg., december 2009.





De oude leraar


Als hij zijn laatst ‘begrijp je?’heeft gezegd,

Laat hij zijn oog langs onze hoofdendwalen

En zit als een van ons in het lokaal en

Ieder probleem schijnt helder enbeslecht.


Dan wordt het stiller en gaat hijoprecht

De dromen van zijn eigen jeugdverhalen,

En wordt zó een met onze idealen

Als met een som die hij heeftuitgelegd.


Tot één vraagt – en wij allenschrikken even -:

‘Waarom bent u er dan nietbijgebleven?’

Dan komt er afstand, en hij glimlachtstil

Een verre glimlach, of hij zeggen wil:

‘Ach, dat juist kan ik je niet doenbegrijpen,

Omdat je daarvoor groeien moet enrijpen.’


Muus Jacobse (ps. voor K.H.Heeroma).


Uit:Muus Jacobse, Hetoneindige verlangen .Gedichten en liederen. Gekozen en ingeleid door Ad den Besten.Nijkerk, Callenbach, 1982 , resp. p. 71 en p. 77. (oorspronkelijkuit: Het bescheidendeel , Nijkerk, 1941).

Afgedruktin: Lessen 1, 5de jrg., maart 2010.





IK ALS KIND


Toen ik een kind was,

Toen ik op school zat in een bos vanbanken

En las over houthakkers op eenzaterdagmorgen,

Dacht ik dat leven het land in

Zoiets was als luisteren naar eenkoekoeksklok.

Nu denk ik het nog.


Guillaume van der Graft, 1957


Uit:Van der Graft, Mythologisch.Gedichten, oud, nieuw en herzien .

Baarn,1997, De Prom, p. 235.

Afgedruktin: Lessen 3,5de jrg., september 2010.





Kinderen die leren lezen


kinderen die leren lezen

zitten in lokalen

uit te rusten van

onrustige verhalen


er hangt een stilte

zoals tussen auto’s

op parkeerterreinen

en tussen bomen


en juf beklimt

het podium

met wit papier


kinderen die leren lezen

hangen letters te drogen

aan de wanden

van de klas


in de winter steekt

juf de kaarsen aan

en kinderen die leren lezen

mogen zingen


en ze beschilderen papier

met de lievelingskleuren

van hun lievelingsdier


kinderen die leren lezen

denken aan de slaap

van de komende nacht


Kees ’t Hart (1944)


Uit: De allerliefste enallermooiste. Gedichten over geboorte en kinderen.

Rainbow Essentials. Amsterdam,Muntinga, 2005, pp. 74-75.

(oorspronkelijk uit: Kinderen dieleren lezen, Querido, 1998).

Afgedrukt in: Lessen 2, 5dejrg., juni 2010.





Kinderspel


Kinderen spelen met onzichtbare dingen.

Zij gaan met minder dan een schaduw om.

Wat voor ons stom is heeft voor hengeluid.

Waar wij niets zien zien zij de mooisteogen.


Adriaan Morriën


Uit:Adriaan Morriën (1954). Vriendschapvoor een boom .Amsterdam, De Bezige Bij, p. 60.

Afgedruktin: Lessen, 6de jrg., nr. 2, december 2011.





Natuurkunde


‘o, denkt men er zo over!’

zei het jongetje

dat de wet van newton gelezen had


en hij steeg als een leeuwerik

in de dampige najaarshemel

en geen sterveling op aarde

heeft hem ooit nog teruggezien


Cees Buddingh’


Uit:C. Buddingh’ (1963), Zois het dan ook nog weer eens een keer .Utrecht, A.W. Bruna & Zoon, 36.

Afgedruktin: Lessen , 7de jrg., nr. 2, december 2012.



● ● ●



Voor het artikel: D.Th. Thoomes, Het(school) kinderleven in de poëzie van Rilke.

In: De School Anno, jrg. 17,nr. 3, 1999, pp. 20-23.

Fulltext: http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0917-200438/UUindex.html




Kinderjaren


Op school verlooptde tijd in angst met lang wachten

met louter dommedingen.

O eenzaamheid, ozware tijd om door te komen ....

En dan naarbuiten: de straten fonkelen en klinken

en op de pleinenspringen de fonteinen

en in de tuinenwordt de wereld zo wijd -,

en daar doorheenlopen in kleine kleren

heel anders dan deanderen lopen en liepen

O wonderlijketijd, o tijdsverloop, o eenzaamheid.


En in dat allesver naar buiten kijken

mannen en vrouwen;mannen, mannen, vrouwen

en kinderen dieanders zijn en kleurig;

en daar een huisen af en toe een hond

en stilterugschrikken afgewisseld met vertrouwen-:

O droefheid zonderzin, o droom, o schrikbeeld,

o peilloze diepte.


En om zo tespelen: bal en ring en hoepel

in een tuin, diezwak verbleekt,

en af en toe devolwassenen lichtjes aanraken

blind en wildtijdens het krijgertje spelen

maar tegen deavond stil met kleine stijve passen naar huis lopen,

stevig aan de hand-:

o steeds maarwijkend begrijpen

o angst, o last.


En urenlang aan degrote grijze vijver geknield te zitten

met een kleinezeilboot

weer te vergeten,omdat er nog andere, eendere en mooiere zeilen door de

golfjes trekken

en te moetendenken aan het kleine bleke gezicht

dat lijkt weg tezinken in de vijver

O kinderjaren, metal die verdwijnende dingen

Waarheen?Waarheen?



Je moet hetleven niet willen begrijpen


Je moet het levenniet willen begrijpen,

dan zal het wordenals een feest.

Laat elke dag jeoverkomen

als een kind datvoortgaat

en door iederewindstoot

zich vele bloesemslaat schenken


Om die bloesem opte rapen en te verzamelen,

dat komt bij eenkind helemaal niet op.

Het (kind) maaktze voorzichtig los uit de haren

waarin ze zo graaggevangen waren,

en steekt de lievejonge jaren

zijn handen toe.



Kindertijd


Het zou goed zijnom veel na te denken, om

iets onder woordente kunnen brengen van wat zó verloren is gegaan,

van die langemiddagen tijdens de kindertijd,

die nooit meer opdie manier terugkwamen - en waarom?


We worden er nogwel eens aan herinnerd-: misschien wel tijdens een regenbui,

maar we weten nietmeer wat het betekent;

nooit meer was hetleven zo vol van ontmoeten,

van weerzien enverder gaan


net als toen, toenons niets anders overkwam als slechts

wat een ding ofeen dier overkomt:

toen leefden we opeen volwassen wijze zoals zij

en werdengeleidelijk boordevol betekenis.


En raakten zovereenzaamd als een herder

en met zulke groteafstanden overladen

en als van verregeroepen en aangeraakt

en langzaam als ineen lange nieuwe draad

opgenomen in dievolgorde van beelden,

waar het ons nu inverwarring brengt om daarin voortdurend te zijn.


Rainer MariaRilke (Praag, 1875 – Montreux, 1926)


(eigenvertaling)


Literatuur:

Rilke,R.M. (1999). Lyrik undProsa. Herausgegebenund mit einem Nachwort von D. Lamping. Düsseldorf/Zürich: Artemisund Winkler Verlag (Lizenzausgabe Wissenschaftliche Buchgesellschaft,Darmstadt, 1999)

Sutter,F. (Hrsg.) (1997). Dieschönsten Gedichte von Rainer Maria Rilke. Zürich: Diogenes



● ● ●



Voor het artikel: D.Th. Thoomes, Poëzie over, voor en van schoolkinderen.

In: Lessen, 6de jrg.Nr. 2, december 2011, pp. 14-16.

http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0214-200359/UUindex.html



RainerMaria Rilke schrijft bijvoorbeeld in een terugblik over zijn‘Kindheit’:


‘Op school verloopt de tijd inangst met lang wachten

met louter domme dingen

O eenzaamheid, o zware tijd om doorte komen

En dan naar buiten: de stratenfonkelen en klinken

en op de pleinen springen defonteinen

en in de tuinen wordt de wereld zowijd

en daardoor heen lopen in kleinekleren

heel anders dan de anderen lopen enliepen

O wonderlijke tijd, o tijdsverloop,o eenzaamheid …..’i


Muus Jacobse dichtte in algemenebewoordingen over ‘Het kind’:

‘Ons is geen toekomst en geenkeus gelaten:

Wij moeten voort, verward enhulpeloos

In een cultuur van films en radio’s

En, soms, wat over het verledenpraten.

Niemand ontkomt er aan –

alleen het kind is nog hetzelfdeals voor duizend jaren:

Nieuw en verwonderd ligt het rondte staren

Alsof de wereld pas vandaag begint……’ii


Guillaume van der Graft verwerkte eenschoolherinnering in wat meer concrete termen:

Op een zwart schoolbord krasteen stem van krijt

resurrexit, het staat wit vanverwijt

En dan, dat klinkt zo mogelijk nogwitter

sicut dixit. Ik proef het. Hetsmaakt bitter,

Niet iedereen haalt dat er uit,maar ik

heb hem herkend, de oudekinderschrik,

hij is een echte christelijkefrik.’ iii


Gerard den Brabander, ten slotte, maaktkorte metten met ons zoete kindbeeld:

Het lieve kind bestaat slechtsop een plaatje

Het lieve kind lispelt bedeesd:“Papaatje ..”

Mijn dochter slaat me in ’tgezicht: “Pak an!”

Het lieve leven zélf ontroert enschaadt je.’iv



Hetkinderblad Kris Kras

Naastde verhaaltjes van Winnie de Poeh en veel versjes van Annie M.G.Schmidt verschijnen in het blad Kris Kras (1954-1966) ook veelbijdragen die aan het criterium van leeftijdloosheid beantwoorden.Het doel ervan was het Nederlandse kind een artistiek en pedagogischverantwoord blad te geven. Hier vinden we onvergetelijke versjes enverhaaltjes van Jean Dulieu , Leonard Roggeveen en Rudy Steyn diedicht aansloten bij de stijl van Annie M.G. Schmidt zoals in hetgedicht: ‘April doet wat hij wil’:


Een mannetje genaamd april

Riep: Ik doe lekker wat ik wil

En ik wil me liever niet vervelen

Dus hup maar, wat kan mij hetschelen

Vlug kocht hij een paar paarseschoenen …..’v


KrisKras was bedoeld omthuis te lezen, tegelijkertijd verschenen er op de schoolbordensteeds vaker versjes van Annie M.G. Schmidt, zoals ‘Dikkertje Dap’en ‘Ik heb een tante en een oom, die wonen ineen eikenboom’. Zij, maar ook andere auteurs als Mies Bouhuys, JanPeeters, Han Hoekstra, Ankie Peypers en Ed. Hoornik schrevenkindergedichtjes die heel geschikt waren om voor te lezen of om samenmet de kinderen te lezen. Een voorbeeld daarvan is ‘Het vogeltje’ van Guillaume van derGraft:

Vogeltje Renée moet opstaan

vogeltje Renée moet opstaan uithaar nest

Of ze hoog springt of laag springt

of ze gaat op haar kop staan

ze moet uit haar nest net als derest …..’ vi


Gedichtenvan kinderen

Sommigescholen beginnen in de jaren zeventig te experimenteren met‘poëzielessen’. Dat deed bijvoorbeeld, Carla Dura in 1991 op deMontessorischool in Bilthoven.vii De veronderstelling daarbij is, dat wanneer kinderen bij poëziebetrokken raken, ze zelf tot initiatieven zullen komen. Zij gaanzelfstandig poëzie kiezen en lezen en ontdekken wat ze mooi vinden. Aan de kinderen van de bovenbouw werd als eerste opdracht gegeven:‘Vuurwerk. Een hoogmoedige vuurpijl, ijdel en zelfverzekerd, iservan overtuigd dat hij bij het afschieten de allermooiste is vanallemaal. Helaas gaat hij op het beslissende ogenblik niet af …’viii De opdracht was bedoeld als een eerste oefening in het verwoorden vangedachten en gevoelens. Eva Levison (11 jaar) maakte het volgendegedicht ‘Vuurwerk’:


Ik vuurwerk, o zo klein

ik zal eens de grootste zijn

Ik geef een grote knal

ik word een hele grote vuurbal

Maar ach, toen met nieuwjaar

ik was helemaal klaar

Ik dacht: nu word ik afgestoken

maar ik lag daar

alleen maar te roken

Ik de grootste van al

was nu een kleine uilebal.’ix


i Thoomes, D.Th. (1999). Het (school)kinderleven in de poëzie van Rilke. In: De School Anno , jrg. 17, nr. 3, pp. 20-23.

ii Jacobse, Muus (ps. van K.H. Heeroma) (1982), Het oneindige verlangen. Gedichten en liederen . Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk: Callenbach.

iii Graft, G. van der (1997). Mythologisch . Gedichten, oud, nieuw en herzien. Baarn: De Prom.

iv Brabander, Gerard den (ps. van J.G. Jofriet) (1984). Verzamelde verzen . Amsterdam: Van Oorschot.

v Steyn, R. (1959). April doet wat hij wil. Kris Kras , 6 (1), p. 11.

vi Rood - wit – blauw. Bloemlezing Kindergedichten (1957). Verzameld door Mies Bouhuys. Amsterdam: Duwaer & Zonen, p. 8.

vii Pimpelpaarse pissebed . (1992). Gedichten van kinderen. Verzameld en ingeleid door Carla Dura. Amsterdam: De Beuk, Stichting voor literaire publikaties.

viii Ibid, p. 9.

ix Ibid, p. 15.


Fulltext: http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0214-200359/UUindex.html

Herbst   Herfst
     
Die Blätter fallen, fallen wie von weit,   De bladeren vallen als komen ze uit de verte,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;   alsof er verre tuinen in de hemelen verwelkten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.   ze komen neer met afwijzende gebaren.
     
Und in den Nächten fällt die schwere Erde   En ’s nachts valt de zware aarde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.   uit alle sterren in de eenzaamheid.
   
Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.   Wij vallen allemaal. Zo zal deze hand vallen.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.   En kijk naar de anderen: het gebeurt bij iedereen.
   
Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen   En toch is er Éen, die dit vallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.   oneindig zacht in zijn handen houdt.

 Rainer Maria Rilke (11.09.1902).

 

Bij de herinneringsdienst van dr. J.G. Thoomes, 24.11.1909 – 14.3.2004.